van Bert Serneels op 27.02.2018

Getuigenis van een grenswerkgever: ATF uit Zandvliet

“Werken over de grens is een win-win, maar het moet veel eenvoudiger”

 

Voor grenswerkgever ATF uit Zandvliet wegens de voordelen van grensarbeid zwaarder door dan de praktische beslommeringen.

 

Sommige bedrijven liggen vlak aan de grens, maar staan als het ware met de rug naar het buurland gekeerd. Dat is zeker niet het geval voor wegenbouwer ATF uit Zandvliet, in het uiterste noorden van de stad Antwerpen, omringd door de Antwerpse Haven … en door de Nederlandse grens.

Bij ATF werken er 120 medewerkers, waarvan maar liefst 70 inwoners van Nederland. “Dat is historisch zo gegroeid”, zo vertellen preventieadviseur Koen Van Caesbroeck en HR-Manager Tinne Van Eyken:  “Oorspronkelijk waren veel leidinggevenden Nederlanders en die brachten graag landgenoten mee. Toch bedrukken we altijd dat ATF een op en top Belgisch bedrijf is.”

 

Actief rekruteren over de grens

 

ATF heeft veel moeilijk in te vullen vacatures en voert daarom een actief rekruteringsbeleid in de grensregio: “We plaatsen onze vacatures ook over de grens en gaan bijvoorbeeld naar de jobbeurzen die het WSP Werkcentrum de Brabantse Wal organiseert in Bergen op Zoom. Er staan daar veel Belgische bedrijven. Het WSP is dat soort initiatieven beginnen nemen in de nasleep van de sluiting van Philip Morris in Bergen-op-Zoom, waarbij 1200 werknemers hun job kwijtraakten.”

Toch gaat niet elke werkzoekende zonder aarzelen de grens over, weten ze bij ATF. “Mensen die weten dat hun buurman ook bij ATF werkt zijn snel overtuigd, bij anderen moet er toch veel schroom weggenomen worden om over de grens te komen. Ze zien onze advertenties, maar gaan daar niet op in omdat het in België is. Als we de mensen eenmaal op gesprek krijgen, hebben we gelukkig goede argumenten, niet in het minst het feit dat er al veel Nederlanders werken bij ons. We hebben ook een speciale onthaalbrochure ontwikkeld om mensen praktisch te begeleiden bij de stap over de grens. We regelen namelijk heel wat zaken voor hen.”

 

Sociale zekerheid

 

Hoe je het ook draait of keert, er komt wel wat kijken bij een tewerkstelling in een ander land dan datgene waar je woont. De grensarbeider valt immers meestal onder het sociale zekerheidsstelsel van het werkland, een stelsel waarmee hij/zij vaak totaal onbekend is.

Tinne Van Eyken: “We sluiten al onze medewerkers – als ze daarmee akkoord gaan natuurlijk – aan bij het ziekenfonds CM in België. We hebben een vaste contactpersoon daar die alles regelt voor ons. Aan Nederlandse zijde moeten de medewerkers aansluiten aan bij de CZ , dat is iets wat de werknemer zelf moet regelen. We merken echter dat ze vaak foutieve info over bepaalde formulieren krijgen, waardoor deze aansluiting vaak 3 à 4 weken aansleept.”

Ook het verkrijgen van medische zorgen verloopt niet rimpelloos, weten Tinne en Koen. “Onze Nederlandse medewerkers laten zich liefst in Nederland medisch verzorgen, dat stelsel kennen ze beter. Maar de CM vraagt steeds een document van de behandelende arts, wat de artsen in Nederland meestal niet willen ondertekenen omdat ze het Belgische systeem van vergoeding van medische kosten niet kennen. We hebben daarom zelfs ons eigen attest opgesteld, maar ook dat baat meestal niet.”

ATF voorziet een aanvullende invaliditeitsverzekering voor alle medewerkers, waardoor zij niet voor 60% maar voor 80% van hun loon gedekt zijn bij arbeidsongeschiktheid. “Maar ook hier stelt hetzelfde probleem zich: noch de Nederlandse artsen, noch het UWV willen bij arbeidsongeschiktheid de documenten ondertekenen.” Bij ATF zien ze zo regelmatig medewerkers vergoedingen waar ze recht op hebben, mislopen.

Ook in de kinderbijslag kan de samenwerking tussen beide landen beter. “Naar onze ervaring werkt de gegevensuitwisseling tijdens België en Nederland gewoon niet goed. We hebben het vermoeden dat de SVB in Breda en het Belgische kinderbijslagfonds elkaar niet vlot vinden, waardoor de bijpassing vanuit Belgische zijde, waarop sommige medewerkers recht hebben, soms 2 jaar op zich kan laten wachten.

Voor Tinne is het vaak zeer moeilijk om iemand bij UWV of SVB te kunnen spreken: “We moeten soms 10 maal bellen, want we hebben geen rechtstreeks nummer en geen vaste contactpersoon. De ene keer komen we bij de UWV in Goes terecht, de andere keer in Breda.  Er zijn zelfs bepaalde nummers die je enkel vanuit Nederland kunt bellen.”

 

Loon en pensioen

 

Wat dan met het loon en de pensioenopbouw van de in Nederland wonende werknemers van ATF? “We maken op voorhand een loonsimulatie voor alle Nederlandse medewerkers, die meestal tevreden zijn over het nettoloon dat daar uit komt. Het is zelden een reden om niet aan de slag te gaan in België. Het gaat dan zuiver over een bruto-netto simulatie, want een vergelijking van alle voor- en nadelen op korte en lange termijn is eigenlijk onmogelijk te maken.”

“Veel medewerkers hebben een boekhouder uit de streek die hun belastingformulieren regelt. Dat is absoluut een meerwaarde in een grensoverschrijdende context. Denk maar aan de Nederlandse hypotheekrenteaftrek: die geeft soms moeilijkheden met de partner van onze medewerkers, die vaak part-time werkt in Nederland. In bepaalde gevallen kan het zelfs fiscaal interessanter zijn dat de partner helemaal niet werkt, zo vernemen we.”

 

Praktische moeilijkheden

 

Tot slot zijn er hele reeks praktische zaken waar zowel de werkgever als de werknemer mee geconfronteerd worden. Tinne en Koen sommen er een aantal op waarmee ze regelmatig geconfronteerd worden:

“Zo overlapt de bouwvakantie in Vlaanderen niet altijd met de Nederlandse schoolvakantie, waardoor sommige werknemers slechts 1 week samen met hun kinderen vakantie hebben. ATF stelt dan een brief op waarmee kinderen afwezig mogen blijven in de Nederlandse school, maar dat is natuurlijk niet ideaal.”

“Bedienden met een firmawagen worden geconfronteerd met een hele papierwinkel, bijvoorbeeld het aanvragen van een BPM-vergunning in Nederland. We horen ook verhalen van grenswachten die rondrijden in de grenswijken om op basis van nummerplaten te checken of bedrijfswagens met Belgische nummerplaat wel belast worden in Nederland. Dat kan immers een groot verschil maken: waar een Belg met bedrijfswagen slechts circa 150 euro afdraagt, is dat voor eenzelfde wagen 600 euro in Nederland, op basis van de CO²-uitstoot en nieuwwaarde. Privégebruik wordt ook streng gecontroleerd, we horen verhalen van controles aan de Efteling om na te gaan of het juiste privégebruik van de firmawagen wel is aangegeven.”

“Onze vrachtwagenchauffeurs moeten de zogenaamde Code 95 volgen, een bijscholing, maar ze krijgen dat in Nederland niet op het digitale rijbewijs geschreven. In Nederland loopt alles digitaal, voor opleidingen in België moet er dan een papieren attest afgeleverd worden door de FOD, met veel stempels en doorverwijzingen tot gevolg.”

Subsidiëring van opleidingen is ook knelpunt: in Nederland zijn cursussen veel duurder en is er geen voordeelregeling zoals de KMO-portefeuille in Vlaanderen. Dat kost het bedrijf veel geld, bijvoorbeeld een opleiding die in Vlaanderen 800 euro kost, kan 2500 euro kosten in Nederland.”

“Er zijn ook verschillen in rijbewijzen voor tractoren: in Nederland is er een T-rijbewijs, in België heb je een CE-rijbewijs nodig. Vraag is of Nederlanders met een T-rijbewijs in België met een tractor mogen rijden? Wij durven het alvast niet te wagen. Ook de brandstofreglementering is anders: rode stookolie mag niet in Nederland, in België mogen we daar wel mee rijden.”

“Dan is er nog de kilometerheffing: als we naar een werf willen rijden in Essen, kunnen we dat best doen door een stukje door Nederland rijden. Maar dan moeten we een Eurovignet aanvragen voor  1 dag. Dat zijn spijtige meerkosten.”

De balans: positief

 

Er zijn dus nog heel wat verbeteringen aan te brengen die werken in de grensstreek kunnen vergemakkelijken. Hoe kijken Koen en Tinne aan tegen het uiteindelijke plaatje?

“Het klopt dat er heel praktische beslommeringen de kop opsteken. Onze ervaring is echter dat die allemaal niet onoverkomelijk zijn. Als bedrijf ontzorgen we onze Nederlandse medewerkers maximaal en hebben we onze organisatie daarop ingericht. Zo realiseren we een win voor alle partijen: wij vinden de medewerkers die we nodig hebben en die we in België amper vinden, onze medewerkers vinden werk in eigen streek tegen een concurrentieel loon met enkele interessante extra voordelen. We zijn ervan overtuigd dat beide partijen daar meer winst dan verlies uithalen en nemen de praktische moeilijkheden daarom graag op ons. Al mag het natuurlijk altijd eenvoudiger”, lachen Koen en Tinne.